Stichting Geschillenoplossing Automatisering
Stichting Geschillenoplossing Automatisering
Stichting Geschillenoplossing Automatisering
  • SGOA kan nu ook uw ICT-rechtelijke incompany training verzorgen! Lees verder voor meer informatie over de invulling.

    LEES VERDER

  • Vandaag is de eerste SGOA Signaal van 2019 verzonden, een online nieuwsbrief met onderwerpen die voor ICT-conflictmanagement van belang zijn! Wilt u het SGOA Signaal ook ontvangen? of de laatste versie lezen?

    AANMELDEN
    LEZEN

  • 30-jarig jubileum - Feesttarief

    7 november 2019 staat de nieuwe SGOA Academy op de planning. Als u zich nu alvast inschrijft, betaalt u het feesttarief van € 175,- (excl. btw).

    INSCHRIJVEN

  • SGOA start met 'Privacy & Security Kamer'. Nieuwsgierig geworden? Lees hier snel verder!

Vonnis 32: Arbitraal vonnis

Vonnis 32: Arbitraal vonnis

STICHTING GESCHILLENOPLOSSING AUTOMATISERING


in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[LEVERANCIER] B.V.,

eiseres in conventie,

hierna te noemen: "[Leverancier]"

gevestigd en kantoorhoudende te [Vestigingsplaats],

gemachtigde: mr. D

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[AFNEMER] B.V.,

verweerster in conventie, hierna te noemen:"[Afnemer]"
gevestigd en kantoorhoudende te [Vestigingsplaats]

gemachtigde: mr. M.

                 --------------------------------------------------------------------

hebben de arbiters:

Arbiter 1, wonende te [Woonplaats]
Arbiter 2, wonende te [Woonplaats]
Arbiter 3, wonende te [Woonplaats]

het volgende arbitrale vonnis gewezen:


1.    Verloop van het geding

1.1    In de onderhavige arbitrale procedure heeft het scheidsgerecht op 7 maart 2017 een arbitraal vonnis gewezen. Dat arbitrale vonnis moet geacht worden hierbij te zijn geïnsereerd.

1.2    In bedoeld arbitrale vonnis heeft het scheidsgerecht op de daarin genoemde gronden en overwegingen onder meer beslist:

a.    [[Leverancier]] toe te laten te bewijzen dat een aanvullende overeenkomst tussen haar ([Leverancier]) en [Afnemer] tot stand is gekomen, althans onderhandelingen ter zake ongeoorloofd zijn afgebroken.

b.    [Leverancier] toe te laten te bewijzen - zo een aanvullende overeenkomst tussen haar ([Leverancier]) en [Afnemer] tot stand is gekomen, althans onderhandelingen ter zake ongeoorloofd zijn afgebroken - welke schade zij heeft geleden met betrekking tot de door haar gestelde tekortkomingen met betrekking tot de aanvullende overeenkomst respectievelijk de door haar gestelde onrechtmatige daad bestaande uit het ongeoorloofd afbreken van onderhandelingen ter zake de aanvullende overeenkomst.

1.3    Bij dat arbitrale vonnis heeft het scheidsgerecht tevens beslist dat [Leverancier] binnen 21 dagen na dat arbitrale vonnis schriftelijk aan het scheidsgerecht kenbaar diende te maken op welke wijze zij uitvoering wenste te geven aan voornoemde bewijsopdrachten en, indien zij getuigenbewijs wenste te leveren, onder opgave van de namen en functies van eventuele getuigen.

1.4    Bij dat arbitrale vonnis heeft het scheidsgerecht alle vorderingen van [Leverancier] uit hoofde van de tussen de partijen bestaande beheerovereenkomst reeds afgewezen en alle overige gevraagde beslissingen in de procedure aangehouden.

1.5    Ter uitvoering van de hiervoor onder overweging 1.3 aangehaalde beslissing van het scheidsgerecht heeft [Leverancier]  op 27 maart 2017 aan het scheidsgerecht kenbaar gemaakt schriftelijk nader bewijs te willen leveren door het nemen van een akte. Vervolgens heeft [Leverancier] op 13 april 2017 een ‘Akte houdende producties en nadere bewijslevering’ genomen. Daarbij heeft [Leverancier] de producties genummerd 19 tot en met 28 in het geding gebracht. In de desbetreffende akte wordt naar deze producties verwezen.

1.6        In voornoemde ‘Akte houdende producties en nadere bewijslevering’ heeft [Leverancier] het totaal van de door haar in hoofdsom beweerdelijk geleden schade becijferd op € 12.418,23 (inclusief BTW). In verband daarmee heeft [Leverancier] bij die akte haar eis in conventie in onderhavige arbitraal geding gewijzigd. Het scheidsgerecht wordt gevraagd bij arbitraal vonnis te beslissen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [Afnemer] te veroordelen tot betaling aan [Leverancier] van:
    a. een bedrag in hoofdsom ter zake van (vervangende) schadevergoeding van € 12.418,23 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom, op grond van artikel 6.1.3 van de algemene voorwaarden van [Leverancier], hetzij het  bepaalde in art. 6:119a in verbinding met art. 6:83, aanhef en onder a BW, vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen, althans een door het scheidsgerecht als goede mannen naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding;

b. de buitengerechtelijke kosten van € 1.862,73 ingevolge artikel 6.1.3 van de algemene voorwaarden van [Leverancier], althans een door uw scheidsgerecht als goede mannen naar billijkheid vast te stellen bedrag aan buitengerechtelijke kosten;

c. alle kosten van rechtsbijstand, verleend en nog te verlenen door de advocaat van [Leverancier] in de onderhavige arbitrage, zoals overeengekomen is in artikel 6.1.3 van de algemene voorwaarden van [Leverancier] en begroot op € 17.820,-, althans tot betaling van een door het scheidsgerecht te bepalen redelijk bedrag, zulks tegen bewijs van behoorlijke kwijting;

d. alle gerechtelijke kosten van deze arbitrage, waaronder begrepen de honoraria en voorschotten van arbiters, de door eiser aan de Stichting Geschillenoplossing Automatisering betaalde registratie- en administratiekosten, althans tot betaling van een door het scheidsgerecht te bepalen redelijk bedrag zulks tegen bewijs van behoorlijke kwijting.

1.7      Op 31 mei 2017 is er zijdens [Afnemer] een Antwoordakte na bewijsopdrachten [Leverancier] ingediend, waarbij [Afnemer] haar producties genummerd 9, 10 en 11 heeft  overgelegd. In haar akte betoogt en concludeert [Afnemer] dat [Leverancier] niet is geslaagd in de haar opgedragen bewijsopdrachten en dat haar vorderingen dan ook dienen te worden afgewezen.

2.    Beoordeling bewijsopdrachten

2.1    Om praktische redenen zal het scheidsgerecht hier beginnen met de beoordeling van de vraag of – en zo ja in welke omvang – [Leverancier] geslaagd is in haar bewijsopdracht welke hierboven onder overweging 1.2 sub b is aangehaald. Aan de orde is thans dus eerst de vraag welke schade [Leverancier] heeft geleden met betrekking de door haar gestelde tekortkomingen met betrekking tot de aanvullende overeenkomst respectievelijk de door haar gestelde onrechtmatige daad bestaande uit het ongeoorloofd afbreken van onderhandelingen ter zake de aanvullende overeenkomst.

2.2    Het scheidsgerecht is met [Afnemer] van oordeel dat [Leverancier] in het geheel niet in deze bewijsopdracht is geslaagd en wel om de navolgende redenen en overwegingen.

2.3    Het scheidsgerecht heeft in rechtsoverweging 7.7 van zijn arbitrale vonnis van 7 maart 2017 reeds overwogen dat de vermeende schade van [Leverancier] niet per se gelijk is aan de omzet die zij in rekening had kunnen brengen voor hetgeen tijdens de duur van de aanvullende overeenkomst - zo die aanvullende overeenkomst tussen partijen zou zijn gesloten - geleverd of verricht zou worden, daarbij uitdrukkelijk verwijzend naar het algemene beginsel van schadevergoedingsrecht dat inhoudt dat voor de berekening van de omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de  schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Daarbij heeft het scheidsgerecht tevens uitgesproken dat dit beginsel er in dit geval onder andere toe leidt dat, als de aanvullende overeenkomst door beide partijen onberispelijk zou zijn nagekomen en [Leverancier] in dat kader kosten zou hebben gemaakt, die kosten in mindering dienen te worden gebracht op de omzet die [Leverancier] ter zake zou hebben gerealiseerd. Het scheidsgerecht heeft eveneens overwogen dat, nu [Afnemer] de door [Leverancier] uit hoofde van de aanvullende overeenkomst gevorderde factuurbedragen betwist, [Leverancier] de gevorderde schade dient te bewijzen.

2.4.    [Leverancier] heeft in randnummer 46 van haar akte d.d. 13 april 2017 de juistheid van de desbetreffende rechtsoverweging 7.7 van het arbitrale vonnis van 7 maart 2017 erkend.

2.5    In die akte heeft [Leverancier] haar eerder in de procedure ingenomen stelling gehandhaafd dat van additionele kosten ten behoeve van de uitvoering van de aanvullende overeenkomst geen sprake is, zodat in haar ogen de gehele gederfde omzet uit die overeenkomst als schadevergoeding dient te worden vergoed. Anders gezegd: [Leverancier] is van oordeel dat de volledige omzet die met de SPOC (Single Point of Contact) en Office 365 dienstverlening gegenereerd had kunnen worden, gezien moet worden als 'gederfde winst' in de zin van art. 6:96 lid 1 BW.

2.6     [Leverancier] heeft dit toegelicht door te stellen dat de SPOC- en Office 365 dienstverlening verricht zou worden door haar algemene helpdesk, die telefonisch ondersteuning aan alle circa 40 klanten voor SPOC- en Office 365 diensten biedt. Deze helpdesk wordt, aldus [Leverancier], door 3 FTE bemand en die helpdesk draagt zorg voor beantwoording van het gehele spectrum aan vragen van al die klanten, dus [Leverancier] breed. Het standpunt van [Leverancier] komt er op neer dat er ten behoeve van de dienstverlening inzake SPOC en Office 365 voor [Afnemer] geen specifieke kosten en ook geen aanvullende kosten worden gemaakt, omdat het hier zou gaan om een algemene helpdesk die vragen inzake "All IT Matters" - dus voor alle klanten van [Leverancier] - beantwoordt.

2.7    [Leverancier] tracht haar stelling over de werkwijze van de helpdesk onder meer te bewijzen door zich te beroepen op de aanhef van een email van 11 juni 2015 van [R]  van [Afnemer] aan de helpdesk, in welke aanhef slechts in algemene termen wordt gesproken over "Dear Helpdesk" bij het aanmelden van een nieuw verzoek.

2.8    [Leverancier] tracht haar stelling dat voor de inzet van de helpdesk ten behoeve van [Afnemer] geen specifieke kosten en ook geen aanvullende kosten worden gemaakt, eveneens te bewijzen door te wijzen op haar aan [Afnemer] uitgebrachte SPOC-offerte, waarin de helpdesk aangeduid wordt als een “an add-on to workstation management.”

2.9    [Leverancier] brengt in dit verband tevens naar voren dat het aantal bij [Afnemer] beheerde werkplekken gelijk is aan de aantallen SPOC- en Office 365-gebruikers binnen [Afnemer].

2.10    [Leverancier] heeft ter invulling van haar bewijsopdracht betreffende de schade tevens productie 27 ingebracht, bevattende vijf afzonderlijk ondertekende verklaringen van [A] (Financieel Directeur van [Leverancier]), [S] (Teamleider Servicedesk van [Leverancier]) [P] (Senior Skilled Servicedesk Medewerker van [Leverancier]), [E] (Skilled Servicedesk Medewerker van [Leverancier]) en [D] (Skilled Servicedesk Medewerker van [Leverancier]). Zij stellen allen in hun verklaringen in gelijke bewoordingen onder meer: “Er worden geen specifieke kosten gemaakt om de SPOC en office 365 diensten te kunnen leveren, aangezien de algemene helpdesk de vragen beantwoordt en deze diensten verricht.”

2.11    [Afnemer] stelt zich in haar antwoordakte van 31 mei 2017 op het standpunt dat [Leverancier] ten onrechte heeft gesteld geen kosten te moeten maken bij de uitvoering van de beweerdelijk gesloten aanvullende overeenkomst. [Afnemer] voert daartoe onder meer aan dat, indien de beweerdelijke overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, medewerkers van [Leverancier] tijd zouden hebben moeten spenderen aan de helpdesk en dat daaraan dus arbeidskosten verbonden zijn. Bovendien voert [Afnemer] aan dat de tijd die de helpdesk-medewerkers van [Leverancier] zouden besteden aan werkzaamheden voor [Afnemer], niet besteed zouden kunnen worden aan andere werkzaamheden. Om die reden meent [Afnemer] dat deze besparing in tijd weldegelijk meegewogen dient te worden.

2.12    Het scheidsgerecht kan, mede gezien hetgeen door [Afnemer] overtuigend naar voren is gebracht, het standpunt van [Leverancier] niet volgen. [Leverancier] miskent bij de uitvoering van haar bewijsopdracht de regels uit de wet betreffende schade, met name de artikelen 6:95 BW en 6:96 BW.

Het kapstokartikel 6:95 BW geeft aan wat onder schade moet worden verstaan: “De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.”

Artikel 6:96 BW bevat een nadere uitwerking van artikel 6:95 BW. Het ten deze van toepassing zijnde juridische kader is lid 1 van artikel 6:96 BW, welke bepaling luidt: “Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.”

2.13    [Leverancier] heeft in deze procedure niets naar voren gebracht omtrent geleden verlies of ‘ander nadeel’, doch heeft zich uitsluitend gericht op gederfde winst. Het scheidsgerecht richt zich hierna derhalve louter op de door [Leverancier] gepretendeerde winstderving.

2.14    Gederfde winst dient naar de heersende civielrechtelijke leer in voorkomend geval steeds concreet te worden berekend. Dat impliceert dat voor vergoeding niet in aanmerking komt de winst die [Leverancier] had kunnen maken, maar de winst waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat [Leverancier] die werkelijk zou hebben gemaakt als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet had voorgedaan. Het scheidsgerecht hanteert daarbij als uitgangspunt dat de becijfering van de winstderving niet te speculatief mag zijn. De becijfering dient een voldoende realiteitsgehalte te hebben. Onderzocht moet worden welke schade, gezien de omstandigheden van het concrete geval, als een redelijkerwijs te verwachten gevolg van de vermeende wanprestatie van [Afnemer] - welke wanprestatie volgens [Leverancier] bestaat uit het uitblijven van betalingen uit hoofde van de gepretendeerde aanvullende overeenkomst - kan worden beschouwd of als een redelijkerwijs te verwachten gevolg van het gestelde  onrechtmatig afbreken van onderhandelingen. Voor een abstracte wijze van schadeberekening bestaat bij winstderving geen ruimte.

2.15    Winstderving aan de zijde van [Leverancier] moet worden becijferd door de opbrengsten die [Leverancier] met haar SPOC en Office 365 diensten daadwerkelijk zou hebben gerealiseerd te verminderen met in ieder geval de variabele kosten die (op pro rato basis) aan die dienstverlening in redelijkheid kunnen worden toegerekend. [Leverancier] spreekt in haar bewijsvoering niet over variabele kosten ter zake van deze dienstverlening, laat staan dat zij enig inzicht verschaft in een (redelijke) pro rato toerekening van variabele kosten aan de dienstverlening die zij ten behoeve van [Afnemer] onder de aanvullende overeenkomst - zo die zou hebben bestaan – zou hebben moeten maken.

2.16    [Leverancier] stelt zich in wezen op het standpunt dat de arbeidskosten van de algemene helpdesk vaste kosten zijn, welke bij de becijfering van de winstderving buiten beschouwing kunnen blijven. Dat de arbeidskosten die samenhangen met het verlenen van helpdeskdiensten vaste kosten zijn, getuigt van weinig realiteitszin. Als variabele kosten worden immers aangemerkt al die kosten die afhankelijk van de omvang van de bedrijfsactiviteiten toe- of afnemen. De personeelskosten voor de inzet van arbeidskrachten op de helpdesk zijn, naar het oordeel van het scheidsgerecht, zulke variabele kosten. Als de omvang van het aantal klanten van [Leverancier] zou groeien van thans circa 40 klanten naar bijvoorbeeld 1000 klanten, dan zal de bemensing van de helpdesk zonder enige twijfel moeten toenemen, hetgeen zich praktisch gezien zou vertalen in additionele arbeidskosten.  

2.17    Aldus beschouwd is het, naar het scheidsgerecht meent, niet relevant dat [Leverancier] (naar haar zeggen) voor haar SPOC- en Office 365 dienstverlening ten behoeve van [Afnemer] uit de voeten kan met de huidige personele bezetting van de helpdesk. Dat gegeven doet namelijk niets af aan het variabele karakter van de bedoelde personeelskosten. Om die reden kent het scheidsgerecht dan ook geen betekenis toe aan de hierboven onder overweging 2.10 genoemde verklaringen van directie en medewerkers van [Leverancier]. Nog los van de onvoldoende gesubstantieerde inhoud van die verklaringen, berusten zij op de onjuiste aanname dat personeelskosten geen variabele bedrijfskosten zijn.

2.18    Door in haar becijfering van de winstderving de (variabele) arbeidskosten voor de helpdesk op geen enkele wijze  - dus ook niet op een redelijke pro rato basis - heeft betrokken, heeft [Leverancier] het scheidsgerecht geen inzicht gegeven in de door haar gepretendeerde winstderving. [Leverancier] is reeds daardoor er niet in geslaagd te bewijzen wat haar de winst zou zijn geweest als de schadeveroorzakende gebeurtenis (i.e de wanprestatie c.q. de onrechtmatige daad) zich niet zou hebben voorgedaan. Het scheidsgerecht oordeelt derhalve dat [Leverancier] niet is geslaagd in het bewijzen van het bestaan en de omvang van schade aan haar zijde, noch ten aanzien van schade wegens de door haar gestelde tekortkomingen met betrekking tot de aanvullende overeenkomst noch wegens de door haar gestelde onrechtmatige daad bestaande uit het ongeoorloofd afbreken van onderhandelingen.

2.19    Daarbij tekent het scheidsgerecht aan dat het voor de becijfering van winstderving geen betekenis toekent aan de wijze waarop [Afnemer] de helpdesk per email heeft geadresseerd noch aan de aanduiding van “add-on” dienstverlening. Dergelijke aanduidingen geven immers niet aan welke kosten gemaakt zouden hebben moeten worden als de aanvullende overeenkomst uitgevoerd zou zijn. Evenmin wordt [Afnemer]'s stelling dat gederfde winst gelijk is aan gederfde omzet ondersteund door [Afnemer]'s bewering dat het aantal beheerde werkplekken gelijk is aan de aantallen SPOC- en Office365-gebruikers. Integendeel, door deze gelijkstelling tussen werkplekken en gebruikers geeft [Afnemer] aan dat - zo er een aanvullende overeenkomst tot stand zou zijn gekomen - voor de SPOC- en Office365-gebruikers, net als met betrekking tot de werkplekken, arbeid verricht zou hebben moeten worden. Die arbeid brengt logischerwijs kosten met zich en die kosten zijn, zoals hiervoor aangegeven, voor de schadeberekening relevant.

2.20    [Afnemer] heeft in haar antwoordakte nog aangedragen dat zij, bij gebreke van enige onderbouwing door [Leverancier] van de arbeidskosten, uitgaat van een bedrag ad € 45,- aan bruto loonkosten per uur. Aan die aanname gaat het scheidsgerecht voorbij omdat dit veronderstelde bruto uurloon niet past bij een concrete wijze van schadeberekening. Een dergelijke aanname past wellicht bij een abstracte wijze van schadeberekening, maar het scheidsgerecht meent dat daarvoor bij een concrete wijze van schadeberekening, zoals in kwesties rondom winstderving geboden is, geen ruimte bestaat.

2.21    Nu [Leverancier] niet geslaagd is in haar bewijsopdracht ten aanzien van de beweerdelijk door haar geleden schade kan in deze procedure verder buiten beschouwing blijven of tussen [Leverancier] en [Afnemer] een aanvullende overeenkomst tot stand is gekomen althans onderhandelingen ter zake ongeoorloofd zijn afgebroken. De uitkomst van de hierboven onder overweging 1.2 sub a aangehaalde bewijsopdracht, verandert niets aan het dictum dat het scheidsgerecht in dit arbitrale vonnis zal geven. Een bespreking en beoordeling van hetgeen door partijen ter zake van die laatstbedoelde bewijsopdracht in deze procedure naar voren hebben gebracht, blijft hier derhalve verder achterwege.

2.22    Bij voornoemde bewijswaardering heeft het scheidsgerecht artikel 24 van het arbitragereglement van de Stichting Geschillenoplossing Automatisering betrokken, volgens welke bepaling de waardering van het bewijs ter vrije beoordeling van het scheidsgerecht staat.

3.    Verdere beoordeling

3.1    Het bovenstaande leidt er toe dat de vordering van [Leverancier] ter zake van schadevergoeding en contractuele en/of wettelijke rente geheel dient te worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de door [Leverancier] in deze procedure gevraagde veroordeling van [Afnemer] tot betaling van buitengerechtelijke kosten.

4.    Kosten van rechtsbijstand

4.1    Omdat de vorderingen in conventie van [Leverancier] geheel zullen worden afgewezen en [Afnemer] een vordering tot vergoeding van alle kosten van juridische bijstand heeft ingediend, dient [Leverancier] naar het oordeel van het scheidsgerecht te worden veroordeeld tot vergoeding van alle kosten van rechtsbijstand die aan de zijde van [Afnemer] in verband met deze arbitrale procedure zijn gemaakt. Die kosten van rechtsbijstand bedragen € 15.804,07. Het scheidsgerecht acht de gemaakte kosten redelijk, mede gezien de inhoud van productie 11 zijdens [Afnemer], welke productie een gespecificeerde opgave bevat van werkzaamheden welke gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 mei 2017 met betrekking tot onderhavige arbitrage zijn uitgevoerd. De kosten zijn naar het oordeel van het scheidsgerecht noodzakelijk gemaakt.

4.2    [Leverancier] dient haar eigen kosten van rechtsbijstand geheel zelf te dragen.

5.    De kosten en kostenverdeling

5.1    De kosten van deze arbitrage bedragen €  [bedrag] (exclusief BTW). Zij bestaan uit het honorarium van de arbiters van € [bedrag]  (exclusief BTW) en de vaste en variabele administratiekosten van de SGOA van € [bedrag]  (exclusief  BTW), alsmede verschotten van €  [bedrag] (exclusief  BTW).

5.2    [Leverancier] heeft inzake haar vordering in conventie reeds een bedrag van € [bedrag].  (exclusief BTW) bij de SGOA in depot gestort.

5.3    De hiervoor in overweging 5.1 genoemde kosten zullen met het voormelde door [Leverancier] bij de SGOA in depot gestorte bedragen worden verrekend.

5.4    Omdat de vorderingen in conventie van [Leverancier] geheel afgewezen worden, wordt [Leverancier] geheel in de kosten van deze arbitrage, derhalve tot €  [bedrag]  (exclusief BTW) veroordeeld, een en ander mede gezien het bepaalde in artikel 39.3 van het voornoemde arbitragereglement. Het scheidsgerecht acht deze kostenveroordeling redelijk en het ziet geen bijzondere omstandigheden die tot een andere veroordeling ten aanzien van de arbitrale kosten moeten of kunnen leiden.

5.5    Voor de door [Leverancier] gevorderde vergoeding van registratiekosten bestaat geen grond, nu deze niet door [Leverancier] betaald zijn en overigens ook niet betaald behoeven te worden. Het toepasselijke arbitragereglement van de SGOA verlangt geen betaling van registratiekosten.

6.    Overig

6.1    Voor een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zoals door [Afnemer] gevraagd, bestaat geen goede aanleiding, nu het arbitrale vonnis niet voor hoger beroep vatbaar is en ook overigens niet is gebleken dat partijen de mogelijkheid van een hoger beroep zijn overeengekomen.

6.2    Al hetgeen partijen in deze arbitrale procedure meer of anders hebben aangevoerd geeft het scheidsgerecht geen aanleiding om anders te beslissen dan hierna wordt beslist.

7.    Slotsom

7.1    Gelet op het vorenstaande komen arbiters tot de volgende uitspraak:


RECHTDOENDE ALS GOEDE PERSONEN NAAR BILLIJKHEID:

In conventie:

(I)    Wijst alle vorderingen van [Leverancier] af;

(II)    Veroordeelt [Leverancier] tot betaling van het bedrag van € 15.804,07 aan [Afnemer] als vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van [Afnemer];

(III)     Stelt de kosten van deze arbitrage vast. Die kosten bedragen € [bedrag]  (exclusief BTW), welk bedrag als volgt is samengesteld:
a. Administratiekosten (excl. BTW)         €   [bedrag]
b. Honorarium arbiters (excl. BTW)        €   [bedrag]
c. Verschotten (excl. BTW)             €   [bedrag]

(IV)    Veroordeelt [Leverancier] tot betaling aan de SGOA van het bedrag van
€ [bedrag] , zijnde de totale kosten van deze arbitrage;

(V)    Wijst al hetgeen meer of anders gevorderd is af.



Haarlem, 14  augustus 2017



Arbiter 1                Arbiter 2            Arbiter 3
(arbiter)                (arbiter)            (arbiter)